|
|
Wetenschappelijk onderzoek naar de Transcendente
Meditatie-techniek.
door GJC Gerritsma, arts
Inhoud:
Wetenschappelijk
Onderzoek naar de Transcendente Meditatie-techniek
Introductie
Maharishi Ayurveda ziet bewustzijn in zijn minst geëxciteerde vorm als
gelijk aan het onderliggende (=transcendente) quantumveld, of verenigd veld,
unified field uit de natuurkunde. Het is de basis van het evenwicht dat "gezondheid"
genoemd wordt.
Testbare hypothesen
Van dit gezondheidsmodel zijn een aantal testbare hypothesen af te leiden:
1) Ervaringen van geluk of transcendentie zijn te relateren aan meetbare
psychofysiologische veranderingen.
2) Door deze ervaringen wordt de evenwichtstoestand van het quantumveld
weerspiegeld in lichaam en geest, hetgeen een betere gezondheid met zich
meebrengt.
In de nu volgende teks zullen we deze hypothesen testen aan
het bestaande wetenschappelijk onderzoek.
In de eerste plaats zullen we een wetenschappelijk verifieerbare definitie
moeten geven van het begrip "bewustzijn in zijn minst geexciteerde vorm",
of transcendent bewustzijn, dat in de oude tekten wordt omschreven als
een zijnstoestand met alertheid en gelukzaligheid. Een meditatietechniek
die deze toestand teweegbrengt is de uit de oude vedische traditie afkomstige
Transcendente Meditatietechniek (TM), die beschouwd wordt als de geestelijke
benaderingswijze van de Ayurveda. De techniek is eenvoudig te beoefenen:
twee maal 20 minuten per dag met gesloten ogen in een comfortabele houding.
De TM-techniek vereist geen concentratie, geen speciale lichaamshouding,
geen controle van de ademhaling of verandering van levenswijze of levensopvating.
Omdat de techniek op een gestandaardiseerde wijze wordt onderwezen leent
zij zich goed voor wetenschappelijk onderzoek, ook al omdat er voldoende
proefpersonen beschikbaar zijn: in Nederland zijn momenteel ongeveer 70.000
mensen in TM geinstrueerd, wereldwijd ongeveer 3 miljoen. De TM-techniek
is sinds 1958 in het westen geintroduceerd door Maharishi Mahesh Yogi, die
deze meditatie als volgt beschrijft:
"Wanneer de geest transcendeert tijdens Transcendente Meditatie, bereikt
het metabolisme zijn laagste punt, evenals het ademhalingsproces, en het
zenuwstelsel bereikt een toestand van alerte rust, die op het fysieke niveau
correspondeert met de toestand van gelukzaligheidsbewustzijn of transcendent
Zijn" (Maharishi 1963). Hierbij wordt "het zenuwstelsel op een systematische
wijze gereinigd, hetgeen leidt tot een steeds helderder ervaring van de
vierde bewustzijnstoestand (transcendent bewustzijn) en vandaar tot een
vijfde toestand, waarin zuiver bewustzijn gehandhaafd wordt samen met waken,
dromen en slapen." (Maharishi in Orme Johnson, 1977).
In deze citaten zijn diverse aanknopingspunten voor fysiologen: Tijdens
transcenderen bereiken het metabolisme en het ademhalingsproces het laagste
punt en komt het zenuwstelsel in een toestand van alerte rust. De fysioloog
Keith Wallace besloot dit verder uit te zoeken.
Lichamelijke rust
De eerste vraag die gesteld werd door onderzoekers was of meditatie
werkelijk een toestand teweeg kan brengen die fysiologisch verschillend
is van gewone rust.
In een studie met 20 proefpersonen, waarbij het zuurstofverbruik en
kooldioxide-uitscheiding werden gemeten, vond Wallace (Wallace et.al.1971)
een daling van het zuurstofverbruik van 40 cc/min, ofwel 16% lager, tijdens
de meditatie dan voor de meditatie (iedere proefpersoon was zijn eigen
controle)(figuur 3). De kooldioxide-uitscheiding daalde met ongeveer 30
cc/min. terwijl het respiratoire quotient (de verhouding van het volume
uitgescheiden kooldioxide tot het volume opgenomen zuurstof) onveranderd
bleef. De ademfrequentie en het ademminuutvolume daalden eveneens significant,
zonder een significante daling van de arteriele pO2 en pCO2. De arteriele
pH daalde weinig, maar significant, tot een milde metabole acidose. Deze
studie toonde dus inderdaad een toestand van rust, die anders is dan rusten
met de ogen dicht. In zes volgende onderzoeken werden de resultaten van
deze eerste studie bevestigd.
Corey (1973) onderzocht 20 proefpersonen op zuurstofverbruik tijdens
de TM-techniek en vond een daling van 20% en een vermindering van de luchtweerstand.
Dhanaraj en Singh (1973) vonden bij TM-mediterenden een daling in zuurstofverbruik
tijdens de meditatie van 15% terwijl een zich ontspannende controlegroep
geen significante verandering liet zien. Reddy (1976) toonde een vergelijkbare
daling van zuurstofverbruik en kooldioxide-uitscheiding aan bij TM-proefpersonen
in vergelijking met controlepersonen. Farrel (1979) vond bij 19 TM-proefpersonen
een significante daling in het zuurstofverbruik zonder verandering van
het respiratoire quotient.
Meer rust
in vergelijking met andere technieken
Throll (1982) mat zuurstofverbruik, ademfrequentie, hartfrequentie,
systolische en diastolische bloeddruk bij 39 proefpersonen, die de TM-techniek
leerden en 21 proefpersonen die de Progressive Relaxatie volgens Jacobson
leerden. De proefpersonen werden zowel tijdens de beoefening van deze technieken
gemeten, als op een longitudinale basis: voor de instructie in de respectieve
technieken, direct erna en 5, 10, en 15 weken later. Bij de pretest waren
er geen significante verschillen tussen beide groepen. De daling in ademfrequentie,
zuurstofverbruik en totaal ademvolume was bij de TM-groep significant. Vergeleken
met de progressieve-relaxatiegroep toonde de TM-groep een significante daling
op de lange termijn in hartfrequentie, ademfrequentie en diastolische bloeddruk.
Gallois (1984) vergeleek 10 TM-mediterenden met 10 proefpersonen die
autogene training beoefenden en 10 controlepersonen. De TM-groep toonde een
aanmerkelijke daling in de ademfrequentie vergeleken met de andere groepen,
met daarbij het frequent optreden van respiratoire pauzes tot een maximum
van 50 seconden.
Garnier et al. (1984) vergeleken de longventilatie voor, tijdens en
na de TM-techniek met zich ontspannende controlepersonen. De zuurstofopname
per kilogram lichaamsgewicht was tijdens de meditatie 15,6% lager dan die
van de controlegroep. Deze waarde daalde verder met 8,5%, hetgeen betekent
dat de TM-proefpersonen waarden vertoonden beneden het voor hun berekende
basaalmetabolisme.
Bovengenoemde studieresultaten suggereren dat bij TM de veranderingen
in de ademhaling voortkomen uit een verminderde behoefte van de stofwisseling
aan zuurstof.
Meta-analyse: TM en
gewone rust
In een meta-analyse hebben Dillbeck en Orme-Johnsson (1987) 31 studies
geevalueerd en gekeken of er verschil was tussen TM en rust met ogen dicht.
Meta-analyse is een quantitatieve methode om het effect van een groot aantal
onderzoeken te evalueren en is een betere methode dan enkel een samanvattende
beschrijving, omdat gecorrigeerd kan worden voor de verschillen in de onderzoeksopzet,
en omdat de gegevens van een groot aantal proefpersonen vergeleken kunnen
worden. Bovendien is het objectief en herhaalbaar voor andere onderzoekers.
Hun conclusie was dat de TM-techniek een significant hogere effect-grootte
gaf dan rust met gesloten ogen, voor de volgende parameters: huidweerstand,
ademfrequentie en plasma-lactaatspiegel. Dit betekent stabieler functioneren
van het autonome zenuwstelsel (huidweerstand) en verminderde metabole activiteit
(ademfrequentie en plasma lactaatspiegel). Studies werden opgenomen in
de analyse wanneer ze fysiologische effecten van de TM-techniek beschreven
bij populatie's van normale volwassenen en studies werden uitgesloten wanneer
de populatie een interne of reclasseringsgroep was en wanneer de experimentele
interventie de normale beoefening van de TM-techniek beinvloedde ("confounding").
De auteurs concluderen dat de TM-techniek vermindering van de lichamelijke
"arousal" teweegbrengt in vergelijking met rusten met de ogen dicht, maar
dat dit niet het volledige effect ervan beschrijft: electrofysiologische
metingen wijzen op een gelijktijdige alertheid.
Methodologische overwegingen
-Verschillen van onderzoeksuitkomsten van metingen tijdens de meditatie.
De uitkomsten van de eerste onderzoeken waren niet eenduidig: het zuurstofverbruik
bleek sterk te varieren, van persoon tot persoon en van experiment tot
experiment. Ook de hartfrequentie daalde niet altijd significant meer dan
bij rusten met de ogen dicht. De reden hiervoor is dat tijdens de meditatie
een mengeling van bewustzijnstoestanden optreedt. Wanneer geest en lichaam
tot rust komen tijdens de meditatie, dan lossen daardoor spanningen op.
Het proces van tot rust komen wordt beschreven als de "inwaartse gang" van
de meditatie, gedurende welke proefpersonen melding maken van de ervaring
van transcendent bewustzijn, totdat de geest meer actief wordt en de "uitwaartse
gang" van de meditatie inzet. De mate van helderheid van de ervaring van
transcendent bewustzijn varieert sterk, net als de duur en frequentie van
de in- en uitwaartse gang van de meditatie. Ook sufheid en zelfs slaap komen
voor (Pagano 1976), afhankelijk van de uitgangstoestand van het zenuwstelsel
van het individu en de dynamiek van de procedure. Wanneer de perioden van
ervaring van transcendent bewustzijn selectief bestudeerd werden, werden
veel duidelijker en eenduidiger fysiologische veranderingen gevonden (Wallace
1987).
Alerte Rust - Spontane
Adempauzes
Farrow en Hebert (1982) hebben het verschijnsel van adempauzes tijdens
de TM-techniek meer in detail onderzocht. In 4 onafhankelijke experimenten
werd de frequentie van het voorkomen van adempauzes gemeten (experiment 1),
werden de adempauzes onder optimale, non-invasieve onderzoeksomstandigheden
gemeten (experiment 2), werd de mogelijke relatie van de adempauzes met de
ervaring van transcendent bewustzijn onderzocht (experiment 3) en werd in
experiment 4 een case-study uitgevoerd bij een meer gevorderde mediterende.
In experiment 1 werden 95 proefpersonen gemeten voor, tijdens en na
de meditatie. Het criterium voor adempauze was wanneer de registratiepen
gedurende 10 seconden of langer niet significant fluctueerde. Elf van de
proefpersonen in dit experiment hadden in totaal 151 adempauzes die aan
de criteria voldeden.
In experiment 2 werden 28 meer gevorderde mediterenden gemeten en vergeleken
met 23 controlepersonen. Geen van de proefpersonen werd verteld dat het
doel van de studie het meten van adempauzes was. Tijdens de meetperiode
van 30 minuten hadden 21 van de 28 mediterenden in totaal 116 adempauzes,
terwijl 9 van de 23 controlepersonen in totaal 14 adempauzes lieten zien.
De frequentie, alsmede de gemiddelde, maximale en totale duur van de adempauzes
waren bij de TM-groep aanmerkelijk en significant groter dan bij de controlegroep.
Experiment 3 werd ontworpen om te testen of er een relatie bestond tussen
de periodes van adempauze en de ervaring van zuiver bewustzijn of transcendent
Zijn. Deze ervaring wordt beschreven als een toestand van complete geestelijke
kalmte waarin gedachten afwezig zijn, terwijl toch helder bewustzijn aanwezig
blijft. Alle proefpersonen hadden deelgenomen aan cursussen opgezet om
de ervaring in de meditatie te verdiepen en uit te breiden. Alle proefpersonen
meldden frequente en langer durende ervaringen van transcendent bewustzijn.
De proefpersonen kregen de instructie om na een ervaring van zuiver bewustzijn
op een knopje te drukken. De ademhaling werd gemeten met een niet-storende
techniek. Acht van de elf proefpersonen vertoonden 57 perioden van adempauze.
Van de 84 druksignalen op de knop werden er 36 geregistreerd binnen 10
seconden na het eind van een van deze adempauzes. De kans dat deze signalen
random verdeeld zouden zijn is kleiner dan 10-10. Met andere woorden, de
temporele verdeling van deze signalen was significant gerelateerd aan de
verdeling van de adempauzes (figuur 4).
Belangrijke vragen bij dit experiment zijn of de adem opzettelijk werd
ingehouden of niet, en of ze werkelijk een verminderde metabole behoefte
aan zuurstof reflecteren. Betreffende de eerste vraag: Alle proefpersonen
waren blind ten opzichte van het doel van het onderzoek. Om te bepalen of
de adempauzes opzettelijk geinduceerd waren, werd de compensatoire hyperventilatie
na het opzettelijk inhouden van de adem geanalyseerd en vergeleken met de
ademactiviteit na adempauzes tijdens de TM-techniek. Bij opzettelijk adem
inhouden was de compensatoire verhoging van het ademminuutvolume 2,71 liter
per minuut, terwijl bij de TM-proefpersonen een niet-significante verhoging
van 0,57 liter per minuut werd vastgesteld.
In de case-study in experiment 4 werden buiten respiratoire parameters
ook elektrofysiologische parameters gemeten, waarbij tijdens de adempauzes
duidelijke EEG-veranderingen werden vastgesteld. Dit wordt verder besproken
onder het hoofdstukje EEG.
Verandering in de ademregulering of geringere zuurstofbehoefte?
Wolkove (1984) vergeleek 16 TM-beoefenaars met 16 controlepersonen,
betreffende de parameters ademminuutvolume, adempatroon en respons op toediening
van CO2. Het ademminuutvolume verminderde bij de mediterenden significant.
Bovendien werden bij 2 mediterenden frequente perioden van adempauzes vastgesteld.
Er was bij de TM-groep tijdens de meditatie een significant verminderde
respiratoire respons na toediening van extra CO2 in de ingeademde lucht.
Dit suggereert een verminderde gevoeligheid voor een verhoogde CO2-concentratie.
Mogelijk wordt het veranderde adempatroon dus niet veroorzaakt door
verminderde metabole behoeften, maar door een verandering van de neurofysiologische
mechanismen van de regulatie van de ademhaling.
De studie van Kesterson (1986) gaat dieper op deze vraag in. Hij onderzocht
drie categorieen mediterende proefpersonen, ingedeeld naargelang hun adempatroon.
De eerste groep vertoonde geen veranderingen in de ademfrequentie tijdens
de meditatie, de tweede groep een grote daling, de derde groep duidelijke,
frequente perioden van adempauzes. Deze laatste groep werd uitgebreider
onderzocht. Net als in de studie van Wolkove vertoonden deze proefpersonen
een verminderde gevoeligheid voor een verhoogd-CO2 gehalte en een verhoogde
gevoeligheid voor lagere O2 niveau's. Bij bijna alle proefpersonen daalde
het respiratoire quotient en de alveolaire ventilatie verminderde meer dan
het zuurstofverbruik. In eerdere studie's bleef het respiratoire quotient
gelijk, wat gezien werd als argument dat er niet gemanipuleerd werd. De schrijver
legt dit echter uit als teken van inhibitie van hersenstam-centra voor respiratoire
controle en milde hypoventilatie en meldt dat deze constellatie van veranderingen
precies zo voorkomt bij de overgangstoestanden tussen REM-slaap, diepe slaap
en waakbewustzijn. Hij betoogt dat deze veranderingen in adempatroon kunnen
wijzen op een gelijkstelling van deze drie overgangstoestanden tot een enkelvoudige
toestand van bewustzijn. De proefpersonen die de grootste veranderingen in
adempatroon vertoonden, meldden de beste ervaringen van transcendent bewustzijn
en waren het meest alert.
Om een adequate beschrijving en interpretatie te geven van wat er gebeurt
tijdens de TM-techniek (namelijk het ervaren van alerte rust) is de zuurstofconsumptie
dus niet zo'n goede parameter. Een betere parameter is het adempatroon,
met name wanneer dit wordt gekoppeld aan andere fysiologische parameters,
zoals EEG-coherentie en biochemische veranderingen.
Grotere bloeddoorstroming van de hersenen
Een groep onderzoekers aan de universiteit van Californie vond een aantal
ongewone, intrigerende biochemische en vasculaire veranderingen.
De veranderingen in adempatroon en de EEG-veranderingen brachten hen
ertoe om te kijken of ook de bloedcirculatie veranderde. Via de methode van
clearance van bepaalde radio-isotopen werd de bloeddoorstroming van lever
en nier gemeten, samen met de arteriele lactaatspiegel en het hartminuutvolume.
De bloedtoevoer naar lever en nieren daalde duidelijk, terwijl toch de
cardiac output steeg (Jevning 1978a). De vraag na deze studie was nu: waar
blijft het overgebleven bloed? In eerdere studies (Levander 1972) werd
een kleine, maar significante stijging van de doorbloeding van de onderarm
gemeten. Deze stijging was echter niet voldoende om de stijging in cardiac
output volledig te verklaren. Daarom werd verondersteld dat de bloedtoevoer
naar de huid of de hersenen verhoogd zou moeten zijn tijdens TM. Het bleek
inderdaad dat de bloedtoevoer naar de hersenen verhoogd was: met een non-invasieve
meettechniek (reoencephalografie) werd bij 10 proefpersonen tijdens de meditatie
een gemiddelde toename van 65% van de bloedtoevoer naar de frontale hersenkwabben
gemeten (Jevning 1978b).
Zelfs
de niet geinnerveerde rode bloedcel vertraagt zijn stofwisseling.
Dezelfde groep heeft de stofwisselingsveranderingen nog gedetailleerder
bestudeerd en wel aan de hand van het metabolisme in de onderarm en in
de erythrocyt. De stofwisseling van de onderarmspieren werd berekend uit
de waarden van de zuurstof- en CO2-spiegels bij TM-proefpersonen tijdens
TM, en bij controle personen tijdens rust. Bij de TM-groep was dit verschil
significant gedaald in vergelijking met de controlegroep: de onderarmspieren
produceerden dus minder CO2, hetgeen wijst op diepere rust in deze spieren
(Wilson '87). Daarnaast vonden Jevning en Wilson (1983)in een studie van
32 normaal gezonde proefpersonen, dat het metabolisme van rode bloedcellen,
gemeten aan de produktie van lactaat tijdens beoefening van TM significant
lager was dan tijdens rust met gesloten ogen. Ook de snelheid van de glycolyse
was gedaald. Via EEG en EOG werd gekeken of de proefpersonen sliepen, en
tevens werd de huidweerstand gemeten. Het optreden van slaap was niet gecorreleerd
met de waargenomen metabole veranderingen. Dit was een heel ongewone bevinding,
want normaal gesproken is het stofwisselingsniveau van de erythrocyt onafhankelijk
van een 24-uursritme, van slaap, en van de functie van het zenuwstelsel.
De schrijvers geven als mogelijke verklaring een onbekende humorale factor
in het bloed die de stofwisseling op deze manier beinvloedde (Jevning 1983).
Wanneer deze gegevens tezamen genomen worden, dan moeten we wel concluderen
dat er tijdens de meditatie inderdaad een fysiologisch aantoonbare andere
evenwichtstoestand wordt bereikt. In het nu volgende gedeelte zal verder
worden ingegaan op de effecten die de meditatie heeft op het functioneren
van lichaam en geest buiten de meditatie.
Hormonen: het
omgekeerde van stress?
Bij 30 studenten werd door Jevning (1978) het cortisol- en testosterongehalte
in het bloed gemeten. Bij acute en chronische stress is de testosteronspiegel
gewoonlijk verlaagd en de cortisolspiegel verhoogd. Beide hormonen worden
door de bijnierschors afgescheiden. De proefpersonen werden ingedeeld in
een gevorderde TM-groep (n=15) en een controlegroep die voor het eerst begint
met TM-beoefening (n=15). De controlepersonen werden gemeten voor en na
de instructie in de TM-techniek. Wegens het 24-uursritme van cortisol werden
alle metingen te verricht tussen 12 en 4 uur 's middags. Om de eventuele
invloed van slaap te kunnen bepalen werden EEG en EOG gemeten. De bloedafnames
waren zo min mogelijk verstorend voor de proefpersonen (canule). Bij de
TM-groep werd tijdens de meditatie een daling van de cortisolspiegel gemeten
van 27% in vergelijking met de waarden voorafgaand aan de meditatie. De
groepen verschilden niet in uitgangswaarden. De daling van de cortisolspiegel
tijdens de meditatie was significant verschillend van de (gelijkblijvende)
waarden gemeten tijdens de rust van de controlegroep. De testosteronspiegels
waren stabiel tijdens alle metingen, bij alle drie de experimentele groepen.
De veranderingen in cortisol waren niet gecorreleerd met het optreden van
slaap. Deze studie geeft aan dat de TM-techniek een toestand teweegbrengt
die tegengesteld is aan die tijdens acute of chronische stress (figuur 5).
Een studie gedaan door Bujatti (1976), in Oostenrijk, geeft een vergelijkbare
trend aan: de hoeveelheid 5-HIAA (5-hydroxyindol-3-azijnzuur), een stofwisselingsprodukt
van serotonine, was duidelijk verhoogd in urinemonsters van 11 TM-proefpersonen,
vergeleken met 13 controlepersonen van overeenkomstige leeftijd en geslacht.
Ook in deze studie werd gecorrigeerd voor het 24-uursritme en voor dieet.
Serotonine wordt beschouwd als een "rust en tevredenheidshormoon". De schrijvers
zien de rusttoestand die samengaat met een verhoogd serotonine als schijnbaar
tegengesteld aan de "stressreactie", maar aangezien een uitgerust organisme
beter op stress kan reageren, is het volgens hun eerder een verschijnsel
dat synergistisch is aan de stressreactie.
Stress, angst en
Vietnamveteranen
De fysiologische veranderingen tijdens de TM-techniek suggereren dat
men door meditatie beter met stress kan omgaan. Een parameter die samengaat
met het al dan niet goed kunnen verwerken van stress is "trait anxiety".
Deze term duidt een algemene tendens aan om angstig te zijn, in tegenstelling
tot "state anxiety", dat de mate van angst aangeeft op een bepaald moment.
Kenneth Eppley (1989) heeft de effecten van verschillende methoden op trait
anxiety gedegen onderzocht en met behulp van een meta-analyse de effectgrootte
berekend. Zijn studie omvatte 35 studies naar TM, 30 naar progressieve relaxatie,
12 naar de techniek van Benson (een zgn. afgeleide techniek van TM), 6 naar
concentratie, 8 naar het gebruik van Sanskriet mantra's, 15 naar EMG-biofeedback
en 8 studies naar placebotechnieken. De meeste technieken produceerden gelijke
effectgroottes, alleen hadden concentratie-technieken een significant kleiner
effect en transcendente meditatie een significant groter effect dan de andere
technieken (p < 0,005, zie figuur 6). Voor vele variabelen werd de samenhang
met de effectgrootte berekend: onder andere voor populatie, leeftijd, geslacht,
onderzoeksopzet en -duur en aantal behandeluren, de attitude van de onderzoeker,
type publicatie en hoeveelheid dropouts. Correctie voor factoren die een
objectieve uitkomst kunnen storen (confounding variables), veranderde de
eindconclusie niet, ook wanneer alleen de studies met de beste interne validiteit
werden opgenomen. In dit laatste geval was de effectgrootte voor de TM-techniek
in feite zelfs iets groter. Wanneer die studies werden uitgesloten die gedaan
waren door pro-TM onderzoekers, dan was de berekende effectgrootte van TM
nog 20% groter.
Een onderzoek gedaan door de psychiater James Brooks evalueert het effect
van TM op dieper liggende stress: achttien Vietnam-oorlogsveteranen met
post-traumatic-stress-disorder (PTSD) kregen random de TM-techniek, of
psychotherapie als behandeling. Ze werden onderzocht voor de behandeling
cq. TM-cursus en drie maanden na begin van de behandeling . Er waren geen
dropouts. Omdat de onderzoekers het niet ethisch vonden om mensen in een
crisis die hulp zochten drie maanden te laten wachten op behandeling was
er geen controlegroep zonder behandeling. In de test na drie maanden was
een grote verscheidenheid van verbeteringen in de TM-groep te zien: vermindering
van parameters als angst, emotionele verdoofdheid, depressie, alcoholgebruik,
slapeloosheid en familieproblemen. Tussen de twee groepen was aanvankelijk
geen significant verschil in beroepsstatus, maar de TM-groep vertoonde hierin
een verbetering van pre-test tot post-test. De psychotherapiegroep liet op
geen enkele parameter een verandering zien (Brooks 1986).
Verslavingszorg en
rehabilitatie
In een review-artikel van 24 onderzoeken naar het effect van de TM-techniek
bij de toepassing in de verslavingszorg kon een gunstig effect vastgesteld
worden bij alle onderzoeken, waaronder 3 met een longitudinale, random
assignment-opzet (Gelderloos et al. 1991). In een retrospectief onderzoek
bij 259 gevangen in Californie werd een vermindering van recidiverend crimineel
gedrag vastgesteld (Bleick en Abrams, 1987)
Uit deze studies blijkt dat niet alleen tijdens de meditatie stress
wordt bestreden, maar dat ook daarbuiten het vermogen om met stress om
te gaan duidelijk en diepgaand verbetert.
Daling van vrije
radikalenbelasting
Bij acute en chronische stress wordt de stofwisseling meer belast en
worden meer vrije radicalen geproduceerd. Vrije radicalen zijn een bijprodukt
van de normale O2-stofwisseling. Zij kunnen op moleculeair niveau blijvende
schade veroorzaken wanneer de herstelmechanismen van het lichaam de aangerichte
schade niet aankunnen (Sharma 1993c). De gevolgen hiervan zijn veroudering
en degeneratie ziekten, waaronder atherosclerose, cataract, kanker. Wanneer
de stofwisseling minder door stress belast wordt, is het te verwachten dat
er 1) minder vrije radikalen worden geproduceerd en 2) verbeteringen te
zien zijn in de algehele gezondheid en 3) remming van het verouderingsproces
optreedt.
Dr. Sharma, hoogleraar in de pathologie aan de Ohio State University,
USA, heeft bloedmonsters van mediterenden onderzocht op lipid-peroxiden.
Lipid-peroxiden spiegels in plasma worden gezien als een maat voor de algemene
vrije radikalen-activiteit in het lichaam. Vergeleken met niet-mediterende
controlepersonen, was het niveau van lipid-peroxiden in de leeftijdsgroep
van 60-69 jaar 14,5% lager en in de categorie 70-79 jaar 16,5% lager (Sharma
1993c, pp.187,188).
Een theorie over veroudering stelt dat het herstelmechanisme van het
lichaam onvoldoende functioneert, waardoor fouten in de stofwisseling en
in het DNA kunnen optreden. Sharma heeft dit fenomeen nader onderzocht. In
vitro werd het herstelmechanisme gemeten van bestraalde lymfocyten. Het DNA
van menselijke lymfocyten herstelde zich in vijf uur voor 80% en niet verder,
bij lymfocyten van mensen die TM beoefenden was dit na zes uur 100% (Sharma
1986).
Daling van biologische
leeftijd
Wallace (1982) deed een direct onderzoek naar veroudering bij 84 proefpersonen
tussen 40 en 64 jaar (gemiddeld 53 jaar) met behulp van de Morgan Adult
Growth Examination. Dit is een standaardtest voor de biologische leeftijd,
waarbij de bloeddruk, de gehoordrempel en het nabijzien worden gemeten.
Deze parameters hebben alle de neiging om te stijgen met de leeftijd, en
door combinatie van deze factoren kan een maat voor de biologische leeftijd
worden verkregen (Morgan 1972). Proefpersonen die langer dan vijf jaar de
TM-techniek beoefenden hadden een gemiddelde biologische leeftijd die significant
lager was dan bij kort-mediterenden en lager dan de norm voor de bevolking.
Deze lang-mediterenden waren biologisch gemiddeld twaalf jaar jonger dan
hun kalenderleeftijd; voor TM-beoefenaars met minder dan vijf jaar TM-ervaring
bedroeg dit verschil gemiddeld vijf jaar. Er bestond een correlatie tussen
de duur van de TM-beoefening en de mate van "verjonging".
DHEAS-hormoon
Een hormoon dat mogelijk gerelateerd is aan veroudering is dehydro-epiandrosteronsulfaat
(DHEAS). Het wordt geproduceerd in de bijnierschors. De biologische functie
ervan staat nog niet precies vast. Wel is aangetoond dat een laag DHEAS-gehalte
bij vrouwen samenhangt met een hogere incidentie van borstkanker en dat
toediening van het hormoon aan proefdieren een aantal ziekten die samenhangen
met hoge leeftijd verbetert: vetzucht, suikerziekte, kanker en autoimmuunziekten.
Bij mensen is de DHEAS-spiegel rond het 25e levensjaar het hoogst waarna
het geleidelijk daalt tot het tussen het 70e en 90e jaar nog slechts 20%
van de oorspronkelijke waarde heeft. Verminderde hormoonsecretie op hogere
leeftijd kan te maken hebben met dedifferentiatie van de producerende cellen,
mogelijk veroorzaakt door vrije-radicalenschade. Glaser vergeleek de DHEAS
spiegels in het bloed van 423 TM-beoefenaars met 1.253 gezonde mensen die
niet mediteerden. De leeftijd varieerde van 20 tot 81 jaar. Bij mediterenden
boven de 45 jaar bleek de DHEAS-spiegel significant hoger dan bij vergelijkbare
controlepersonen en overeen te komen met een biologische leeftijd die 5 tot
10 jaar onder hun kalenderleeftijd lag. Het verschil was 23% voor mannen
en 47% voor vrouwen. Dit effect was onafhankelijk van dieet, lichaamsbeweging,
vetzucht of alcoholgebruik (Glaser 1987).
Verlenging van de levensduur
Door de Harvard Universiteit werd een onderzoek gedaan in bejaardenhuizen
bij 73 bejaarden met een gemiddelde leeftijd van 80,7 jaar, waarbij TM
aselect werd vergeleken met twee andere geestelijke groeitechnieken (een
om de geest te activeren en een om de geest te ontspannen) en een controlegroep.
Het onderzoek was er speciaal op gericht om alle variabelen die het resultaat
aspecifiek zouden kunnen beïnvloeden constant te houden. Zo waren de tijd
die aan de techniek werd besteed, de verwachting die werd gewekt, de hoeveelheid
tijd die aan de instructie van de mensen werd besteed, zelfs het enthousiasme
van de leraren gestandaardiseerd. Er werd een serie psychologische tests
afgenomen door "geblindeerde" assistenten voor- en na drie maanden beoefening
van de mentale technieken. Bij de natest was de TM-groep significant beter
dan de andere groepen op de associatief-lerenschaal van een dementie-screeningtest
en op een test die de rigiditeit van gedrag mat. Op een andere rigiditeitstest
bleek een trend in positieve richting (Stroop kleur/woord-interferentietest).
Het bleek dat de TM-groep zich significant beter voelde en meer geïnteresseerd
was tijdens beoefening van de techniek en zich direct na afloop daarvan
beter en meer ontspannen voelde. Significant meer TM-beoefenaars vonden
hun techniek waardevol. Verpleegkundigen die niet op de hoogte waren wie
welke techniek beoefende, maten voor en na drie maanden de systolische bloeddruk
en gaven na 18 maanden een oordeel over de geestelijke gezondheid van de
bejaarden. De TM-groep verbeterde significant meer in bloeddruk en geestelijke
gezondheid. De ultieme test is de overlevingsduur; deze werd na drie jaar
bekeken (figuur 7). De TM'ers waren allen nog in leven, terwijl in de andere
groepen het overlevingspercentage varieerde van 65 tot 87,5% en het voor
de overige bewoners van dezelfde bejaardentehuizen 62,5% was; het verschil
was zeer significant (Alexander 1989).
Naar het effect van de TM-techniek op stress en hieraan gerelateerde
pathologie is veel meer onderzoek gedaan dan in het kader van dit artikel
besproken kan worden. Voor meer referenties zij verwezen naar het artikel
van Segaar in 1991 in dit blad en naar Orme Johnson (1977).
Zelf
actualisatie, een maat voor geestelijke gezondheid
Bovengenoemde onderzoeken laten zien dat stress en gerelateerde pathologie
door TM gereduceerd kunnen worden. Maar gezondheid is meer dan alleen afwezigheid
van ziekte. Hoe is gezondheid te meten? Een maat voor de geestelijke gezondheid
stamt uit de humanistische psychologie en wordt "zelf-actualisatie" genoemd.
Maslow, een bekend humanistisch psycholoog, onderzocht de psychologie van
de gezonde mens. Als belangrijke kenmerken vond hij: verhoogde acceptatie
van zichzelf, anderen en de natuur, meer spontaniteit, superieure waarneming
van de werkelijkheid en sterk verhoogde creativiteit. Bovendien minimale
aanwezigheid van psychopathologie en bevrediging van "deficientie-behoeften",
kameraadschap en waardering. (Maslow in Alexander et. al. 1991). Van speciaal
belang waren voor Maslow "piek ervaringen". Deze kwamen onder zijn meer
gevorderde proefpersonen vrij algemeen voor. Hij noemde ze piekervaringen,
omdat ze algemeen gewaardeerd worden als momenten van hoge verheffing en
diepe inspiratie, duidelijk apart van het gewone leven. Later beschreef hij
een langer durende toestand van deze transcendente ervaringen als "plateau-ervaring".
Of er een causale relatie bestaat tussen deze ervaringen en gezondheid, of
dat ze alleen voorkomen bij reeds gezonde mensen, is moeilijk vast te stellen,
omdat er alleen correlatie-studies beschikbaar zijn. Maslow vermoedde dat
een causale relatie mogelijk is, daar spontane piek-ervaringen ook af en
toe voorkomen bij mensen die nog psychopathologische klachten hebben. De
na-effecten ervan zijn gunstig: de mensen voelen zich meer volwassen, zekerder
en meer geintegreerd. Maslow introduceerde vele karakteristieke beschrijvingen
van de term transcendentie. Alle hebben betrekking op het gaan voorbij een
toestand van verdeeldheid, naar een toestand van meer onderliggende heelheid
of eenheid. Volgens de vedische psychologie is herhaalde ervaring van transcendent
bewustzijn de basis voor een gezonder functioneren (Maharishi 1963). Of transcendente
ervaringen een bevorderende factor zijn voor psychologische gezondheid en
zelfactualisatie, wordt duidelijk door een meta-analyse van alle bestaande
studies naar het effect van diverse vormen van meditatie of ontspanning op
zelfactualisatie van Alexander (et al. 1991) in het Journal of Social Behaviour
and Personality. In totaal werden 42 studies onderzocht. De effect-grootte
van TM op algehele zelfactualisatie (0,78) was ongeveer drie maal zo groot
als die van andere vormen van meditatie (0,26) en ontspanning (0,27), wanneer
werd gecorrigeerd voor duur van behandeling en de kracht van de opzet van
het experiment (figuur 8). Wanneer de herhaalde ervaring van transcendentie
de sleutel is tot zelf-actualisatie, dan zou men een cumulatief effect verwachten,
naarmate de duur van de interventie-periode langer is. Dit bleek inderdaad
het geval te zijn: in studies waar de proefpersonen langer TM beoefenden
was er een grotere effectgrootte.
EEG-coherentie
Coherentie (samenhang) op het electro-encephalogram is een maat voor
functionele orde tussen hersendelen op enige afstand van elkaar. Hierbij
wordt met behulp van computeranalyse berekend of de hersengolven van verschillende
meetpunten op de schedel synchroon verlopen. Meer poetisch beschreven:
als in een orkest alle muzikanten door elkaar spelen, ontstaat een incoherent
geheel van geluidsgolven. Maar wanneer ze alle hun aandacht bij de dirigent
hebben, ontstaat er samenhang en schoonheid.
Farrow en Hebert (zie boven) vonden in hun vierde experiment dat perioden
van transcendent bewustzijn, naast de al beschreven adempauze, ook gekenmerkt
werden door een coherentie van meer dan 95% in de alpha- en beta-frequenties.
Levine (1976) onderzocht de EEG's van 28 proefpersonen, 21 mediterenden
en 7 niet TM'ers. Bij mediterenden met langere ervaring werd meer coherentie
gevonden dan bij mediterenden met kortere ervaring. Bij rusten met de ogen
dicht werd bij niet mediterenden geen coherentie gevonden. Orme-Johnson
(1981) legde in een studie bij 22 TM-leraren een verband tussen de helderheid
van de ervaring van transcendent bewustzijn en creativiteit (gemeten door
de Torrance Test of Creative Thinking) en het optreden van coherentie op
het EEG. De groep die heldere ervaringen van transcendent bewustzijn rapporteerde
had een significant hogere coherentie in de alpha-frequentie en significant
betere scores op de creativiteitstest dan de groep met niet-heldere ervaringen.
Nidich (1983) onderzocht het verband tussen EEG-coherentie en Kohlbergs
test voor moreel redeneren bij 53 studenten. Kohlberg schrijft dat vragen
zoals "Waarom moreel zijn?" niet te beantwoorden zijn op puur logische
of rationele gronden. Bij oplossingen voor dit soort vragen zijn ervaringen
betrokken van niet-dualistische aard, van deel zijn van het geheel van het
leven en het verkrijgen van een kosmisch- in tegenstelling tot een humanistisch-
perspectief. Aangezien EEG-coherentie reeds geassocieerd was met onbegrensd
bewustzijn werd de hypothese gesteld dat studenten die "kosmisch georienteerd"
waren een hogere alfa-EEG-coherentie vertoonden dan "niet-kosmisch georienteerde
respondenten". Bij analyse van metingen tijdens de TM-techniek bleek dat
de kosmisch georienteerde groep inderdaad statistisch significant meer frontale
alfa-coherentie vertoonde dan de niet kosmisch-georienteerde groep. Mogelijk
zou dit gegeven louter het intellectuele vermogen van de studenten reflecteren
om de theoretische lessen over dit onderwerp te reproduceren. Wanneer echter
gecorrigeerd werd met behulp van multipele regressie-analyse, voor hun
cijfers op de pas afgeronde lessen "human development" als controle-variabele,
dan bleek de alfa-coherentie nog steeds een sterke onafhankelijke variabele
te zijn.
Wat is bewustzijn?
Bovengenoemde studies suggereren dat tijdens en na de TM-techniek de
hersenen meer samenhangend, ordelijk en harmonisch functioneren. Waar komt
deze samenhang vandaan? Iets dat samenhang creeert moet tegelijkertijd in
contact zijn met alle delen en met het geheel van het systeem. Bewustzijn
in zijn minst geexciteerde vorm is mogelijk de oorzaak van de samenhang die
in het individuele "systeem" waargenomen wordt (Domash 1977).
EEG-coherentie
tussen proefpersonen: een veldeffect
Wanneer het individuele bewustzijn een aspect is van een meer universeel
"veld", zoals in de introductie als hypothese werd opgeworpen, dan zou
het ordescheppend effect van het proces van trancendentie ook buiten de
grenzen van het individuele systeem merkbaar kunnen zijn. Deze gedachte
was de achtergrond van de volgende studie van Orme Johnson. In augustus
1979 vond in Amerika te Amherst een bijeenkomst plaats, waarin 2500 studenten
gezamenlijk een gevorderd TM- programma, het TM-sidhiprogramma beoefenden.
Het TM-Sidhiprogramma is afgeleid van de Yoga Sutra's van Patanjali, een
deel van de Vedische literatuur over bewustzijnsontwikkeling door yoga
en meditatie. Het kan geleerd worden na een paar maanden regelmatige beoefening
van de TM-techniek en traint de fysiologie om transcendent bewustzijn te
handhaven samen met waken, dromen en slapen. Dit programma heeft een sterkere
uitwerking dan de TM-techniek alleen. Wanneer bewustzijn een doordringend
veld is, dan lijkt het mogelijk om ook op afstand enig effect hiervan te
meten. Een poging hiertoe werd ondernomen in het EEG-lab in Fairfield, Iowa,
1170 mijl verwijderd van de cursuslokatie. Aangezien het EEG gevoelig is
voor veranderingen in bewustzijn, werd als parameter de EEG-coherentie tussen
verschillende mensen genomen. De experimentele vraag was of de gezamenlijke
meditatie van de 2500 mensen op de cursus in Amherst de EEG-coherentie tussen
de drie verschillende mensen in Fairfield zou verhogen. De drie in Fairfield
mediteerden voor- en tijdens de groepsbeoefening in Amherst. De periode direct
voor de groepsbeoefening was de baseline periode, waarmee de experimentele
periode tijdens de groepsbeoefening werd vergeleken. In de week na de cursus,
werd nog eens op zes verschillende dagen de coherentie tussen de proefpersonen
gemeten, volgens dezelfde procedure als tijdens de experimentele dagen.
Tijdens de baseline periode was de coherentie tussen de proefpersonen in
het algemeen laag: tussen 0,35 en 0,4 (1,0 is de maximale coherentie). Tijdens
de experimentele periode steeg de coherentie tussen de proefpersonen inderdaad
en wel significant meer dan tijdens de controledagen, met name in de alfa-
en beta-frequenties.
Volgens de schrijvers (Orme-Johnson et al. 1982) ondersteunt deze bevinding
de hypothese dat het coherent functioneren van de hersenen als een quantummechanisch
veldeffect werkt. Verder geven ze de mogelijkheid aan dat technieken die
kennelijk coherentie tussen individuen kunnen scheppen, zelfs al zijn die
ver verwijderd, van nut kunnen zijn bij het oplossen van internationale
conflicten en sociale onrust. De volgende studie, gepubliceerd in het Journal
of Crime and Justice, gaat over dit thema.
Eenprocentseffect:
Daling van criminaliteit
Dillbeck (1981) bestudeerde 48 steden in de Verenigde Staten over een
periode van 5 jaar. In 24 steden, waar in 1972 1% van de bewoners de TM-techniek
beoefende, werd in 1973 een onmiddelijke daling in de misdaadcijfers waargenomen,
die zich in de follow up periode van 5 jaar bleef voortzetten. Deze steden
werden vergeleken met 24 controlesteden, gematched naar geografisch gebied,
populatie en 'college population' (=aantal studenten). Wanneer gecorrigeerd
werd voor mogelijke andere oorzaken van verminderde misdaad (bevolkingsdichtheid,
werkeloosheidscijfers, inkomen, gemiddelde duur van de opleiding en percentage
bewoners in de leeftijd van 15 - 29 jaar), dan bleef dit effect statistisch
significant (figuur 9).
Volgens een review-artikel van meer dan 25 wetenschappelijke studies
naar het effect vsan het TM-sidhiprogramma kan al bij een aantal beoefenaars
van de vierkantswortel van 1% van de populatie een effect van dit programma
op de omgeving gemeten worden (Orme- Johnson et al. 1987b).
onconventioneel
In een artikel van Orme Johnson in het Journal of Conflict Resolution
van december 1988, wordt statistisch bewijs geclaimd voor de conflict reducerende
werking van gezamenlijke meditatie in Jeruzalem op een gewelddadig conflict
in Libanon. Wanneer de "Overall Composite Index of Quality of Life", gebaseerd
op rapporten van de media over dagelijkse misdaad, ongelukken, branden
etc., grafisch weergegeven werd samen met de aantallen mediterenden in
Jerusalem, dan werd een statistische samenhang vastgesteld tussen deze
twee variabelen (zie figuur 10). Dit artikel heeft in dit blad een uitgebreide
wetenschappelijke discussie op gang gebracht over dit interessante, maar
onconventionele onderwerp (Orme-Johnson et al. 1990).
De sociologische en psychologische aspecten die ter sprake kwamen in
genoemde discussie en onderzoek zijn verder uitgewerkt in het boek "Bewustzijn
als Bewapening" (Ransijn 1982), waarin de lezer aan de hand van gedegen documentatie
een kijkje achter de schermen van het wereldgebeuren gegeven wordt.
Dit
alles overziend kunnen we stellen dat er voldoende gegevens zijn die de beide
hypothesen die we in het begin van deze tekst noemden, ondersteunen. Er
zijn onweerlegbaar fysiologische tekenen van transcendente ervaringen en
er zijn tal van aanwijzingen dat het ervaren van deze toestand van volkomen
evenwicht het evenwicht in lichaam en geest beinvloed, wat een aanwijsbaar
beter functioneren van lichaam en geest met zich meebrengt en uitzicht biedt
op een betere gezondheid en een langer leven.
Literatuurlijst
Alexander, C.N., Gelderloos, P. and Rainforth, M.V. (1991). Transcendental
Meditation, self-actualization, and psychological health: a conceptual
overview and statistical meta-analysis. Journal of Social Behavior and
Personality. Vol 6, No. 5, 189-247.
Alexander, C.N., Langer, E.J., Davies, J.L., Chandler, H.M. and Newman,
R.l. (1989). Transcendental Meditation, mindfulness, and longevity: An
experimental study with the elderly. Journal of Personality and Social
Psychology, 57, (6), 950-964.
Badawi, K., Wallace, R.K., Orme-Johnson, D.W. and Rouzere, A.M. (1984).
Electrophysiologic characteristics of respiratory suspension periods occurring
during the practice of the Transcendental Meditation program. Psychosomatic
Medicine, 46, (3), 267-276.
Benson H. and Wallace, R.K. (1972). Decreased blood pressure in hypertensive
subjects who practiced meditation. Circulation, 45, Supplement II: 516.
Benson H. and Wallace, R.K. (1972). Decreased drug abuse with Transcendental
Meditation: A study of 1862 subjects. In: C.J.D. Zarafonetis (eds). Drug
Abuse: Proceedings of the International Conference, 369376. Philadelphia:
Lea and Febinger.
Bhishagratna, K.L., (1981) Susruta Samhita, English Translation, third
edition, Chowkhamba Sanskrit Series, Varanasi, India, 1981
Blackwell, B., Hanenson, I.B., Bloomfield, S.S., Magenheim, H.G., Nidich,
S.l. and Gartside, P. (1975). Effects of Transcendental Meditation on blood
pressure: a controlled pilot experiment. Psychosomalic Medicine, 37, (I),
86.
Blasdell, K.S., Sharma, H.M., Tomlinson, P.F. and Wallace, R.K. (1991).
Subjective survey, blood chemistry and complete blood profile of subjects
taking Maharishi Amrit Kalash. Federation of American Societies of Experimental
Biology: 75th Annual Meeting, April 21-25, Antlanta, Georgia, U.S.A. Abstracts,
part II, nr. 5489.
Bleick, C.R. and Abrams, A.l. (1987). The Transcendental Meditation
program and criminal recidivism in California. Journal of Criminal Justice,
15, 211-230.
Brooks, J.S. and Scarano, T. (1986). Transcendental Meditation in the
treatment of post-Vietnam adjustment. Journal of Counseling and Development,
64, 212-215.
Bujatti, M. and Riederer, P. ( 1976). Serotonin, noradrenaline, dopamine
metabolites in Transcendental Meditation. Journal of Neural Transmission,
39, 257-267.
Capra, F., (1987) Totaliteit en Gezondheid, Nederlands Tijdschrift voor
Integrale Geneeskunde 4 (19) 1987, 204/214
Capra, F., (1991) The Tao of Physics: An Explanation of the Parallels
Between Modern Physics and Eastern Mysticism (Shambala, Boston, 1991)
Chandler, H.M., Glaser, J.L., Orme-Johnson, D.W. and Dillbeck, M.C.
(1987). Improvements in memory, intelligence, psychomotor speed and alertness
in normal subjects from an ayurvedic medicinal herbal-based rejuvenal therapy.
Study presented at the 28th Annual Meeting of the Society of Economic Botany.
June, 23, Chicago, Illinois, U.S.A.
Chopra, D. (1989). Quantum Healing Exploring the frontiers of mind-body
medicine. New York: Bantam Books.
Cooper, M. and Aygen, M. (1978). Effect of meditation on serum cholesterol
and blood pressure. Harefuah, Journal of the Israel Medical Association,
95, 1-2.
Cooper, M. and Aygen M. (1979). Transcendental Meditation in the management
of hypercholesterolaemia. Journal of Human Stress, 5, 24-27.
Corey, P.W., (1973) Airway conductance and oxigen consumption changes
associated with practice of the transcendental meditation technique. University
of Colorado Medical Center, Denver, Colorado, USA.
Dileepan, K.N., Patel, V., Sharma, H.M. and Stechschulte, D.J. (1990).
Priming of splenic Iymphocytes after ingestion of an ayurvedic herbal food
supplement: Evidence for an immunomodulatory effect. Biochemical Archives,
6, 267-274.
Dillbeck, M.C. (1977). The effect of the Transcendental Meditation technique
on anxiety level. Journal of Clinical Psychology, 33, 1076-1078.
Dillbeck, M.C., Banus, C.B., Polanzi, C. and Landrith, G.S. (1989).
Test of a field model of consciousness and social change: Transcendental
Meditation and TM-Sidhi program and decreased urban crime. The Journal
of Mind ad Behavior, 9, (4), 457-486.
Dillbeck, M.C., Cavanaugh, K.L., Glenn, T., (Orme-Johnson, D.W. and
Mittlefeldt, V. (1987). Effects of the Transcendental Meditation and the
TM-Sidhi program on quality of life indicators: Consciousness as a field.
The Journal of Mind and Behavior, 8, 67-104.
Dillbeck, M.C., Landrith G. and Orme-Johnson, D.W. (1981). The Transcendental
Meditation program and crime rate change in a sample of forty-eight cities.
Journal of Crime and Justice, 4, 2545.
Dillbeck, M.C. and Orme-Johnson, D.W. (1987). Physiological differences
between Transcendental Meditation and rest. American Psychologist, 42,
879-881.
Domash,L. H. The Transcendental Meditation Technique and quantum physics:
Is pure consciousness a macroscopic quantum state of the brain? In D.W.
Orme-Johnson and J.T. Farrow, eds. Scientific research on the Transcendental
Meditation Programme: Collected Papers Volume 1. Rheinweiler, W. Germany:
MERU press, 1977.
Dwivedi C., Satter, B.C. and Sharma, H.M. (1988). Anticarcinogenic activity
of an ayurvedic food supplement, Maharishi Amrit Kalash (MAK). American
Physiological Society/American Society for Pharmacology and Experimental
Therapeutics. Conference abstract nr. 86.1. October 9-13, Montreal, Canada.
Dwivedi, C., Sharma, H.M., Dobrowski, S. and Engineer, F.N. (1991).
Inhibitory effects of Maharishi-4 and Maharishi-5 on microsomal lipid peroxidation.
Pharmacology Biochemistry & Behavior 39, 649-652.
Dwivedi, S., Chansoria, J.P.N., Somani, P.N., Udupa, K.N. Effect of
Terminalia Arjuna on ischemic heart disease. Alternative Medicine, Vol.
3. No. 2, pp. 115-122 (1989)
Ellmannn, W., 1989: Behandlung von Rheuma und Migrane mit Maharishi
Ayur-Veda in der taglichen Praxis. Vortrag Medizinische Woche, Baden-Baden,
10/89.
Engineer, F. N., Sharma, H. M., Dwivedi, C., Protective effects of M-4
and M-5 on adriamycin-induced microsomal lipid peroxidation and mortality.
Biochemical Archives, Vol. 8, pp. 267-272, 1992, USA
Eppley, K., Abrams, A and Shear, J. (1989). Differential effects of
relaxation techniques on trait anxiety: A meta-analysis. Journal of Clinical
Psychology, 45, 957-974.
Farrow, J.T. and Herbert, J.R. (1982). Breath suspension during the
Transcendental Meditation technique. Psychosomatic Medicine, 44, (2), 133-153.
Fields, J.Z., Rawal, P.A., Hagen, J.F., Todd, I., Wallace, R.K., Tomlinson,
P.F. and Schneider, R.H. (1990a) Oxygen free radical scavenger effects
of an anti-carcinogenic natural product, Maharishi Amrit Kalash (MAK).
Conference proceedings of the American Society for Pharmacology and Expenmental
Therapeutics Milwaukee, WI., U.S.A.
Finck C.E. and Hayflick L., eds., Handbook of the Biology of Aging,
New York: Van Nostrand Reinhold, 1977,
Gallois, P. (1984). Modifications neurophysiologiques et respiratoires
lors de la pratique des techniques de relaxation. L' Encephale, 10, 139-144.
Garnier, D., Cazabat, A., Thebault, P. and Gauge, Ph. (1984). Pulmonary
ventilation during the Transcendental Meditation technique: Applications
in preventive medicine. Est-Medicine, 4, (76), 867-870.
Gelderloos, P., Ahlström, H.H.B., Orme-Johnson, D.W., Robinson, D.K.,
Wallace, R.K. and Glaser, J.L. (1990). Influence of a Maharishi Ayur-Vedic
herbal preparation on age-related visual discrimination. International Journal
of Psychosomatics 37, 25-29.
Gelderloos, P., Frid, M.J., Goddard, P.H., Xue, X. and Löliger, S.A.
(1988). Creating world peace through the collective practice of the Maharishi
Technology of the Unified Field: improved US-Soviet relations. Social Science
Perspectives Journal, 2, (4), 80-94.
Gelderloos, P., Walton, K.G., Orme-Johnson, D.W. and Alexander, C.N.
(1991). Effectiveness of the Transcendental Meditation program in preventing
and treating substance misuse: A review. International Journal of the Addictions,
26, (3), 293-325.
Glaser, J.L., Brind, J., Eisner, M., Dillbeck, M.C., Vogelman, J. and
Wallace, R.K. (1987). Elevated serum dehydroepiandrosterone-sulfate levels
in older practitioners of the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program.
AGE, 10, (4), 160.
Glaser, J.L., Maharishi Ayurveda: an introduction to recent research.
Modern Science and Vedic Science, Vol.2 No.1 1988.
Glaser, J.L. MD and Tomlinson, P., MA (1991). Correlation of subjective
preferences, cognitive styles and behaviour with physiognomy according
to the principles of Maharishi Ayurveda tridosha theorie. In: Scientific
proceedings of the American Association of Ayurvedic Medicine June 8-9,
1991 San Diego, California.
Hanissian, S.H., Sharma, H.M. and Tejwani, G.A. (1988). Effects of Maharishi
Amrit Kalash (MAK) on brain opioid receptors. Federation of American Societies
of Experimental Biology, abstracts 2, (4), 802.
Hanna, A.N., Kauffman, E.M., Newman, H.A.I., and Sharma, H.M., Prevention
of oxidant stress by Students Rasayana (SR) presented at the international
Symposium on Free Radicals in Diagnostic Medicine, Buffalo, NY, October
7-9, 1993
Herron, R.E.,1993: The impact of Transcendental Meditation practice
on medical expenditures. Dissertation Abstracts Intern. 53(11):4219A.
Janssen, G.W.H.M. (1989). De Maharishi Ayur-Veda behandeling van tien
chronische ziekten: Een voorstudie (The Maharishi Ayur-Veda treatment of
ten chronic diseases: A pilot study). Nederlands Tijdschrift voor Integrale
Geneeskunde 5, (35), 586-594.
Jevning, R., Pirkle, H.C. and Wilson, A.F. (1977). Behavioral alteration
of plasma phenylalanine concentration. Physiology and Behavior, 19, 611-614.
Jevning, R., Wells, I., Wilson, A.F. and Guich, S. (1987). Plasma thyroid
horrnones, thyroid stimulating hormone, and insulin during acute hypometabolic
state in man. Psychology and Behavior, 40, 603-606.
Jevning, R., Wilson, A.F. and Davidson, J.M. (1978). Adrenocortical
activity during meditation. Hormones and Behavior, 10, (1), 54-60.
Jevning, R. Wilson, A.F., O'Halloran, J.P. and Walsh, R.N. (1983). Forearm
blood flow and metabolism during stylized and unstylized states of decreased
activation. American Journal of Physiology, 245, (Regulatory Integrative
Comp. Physiol. 14), Rl IO-RI 16.
Jevning, R. Wilson, A.F., Pirkle, H., Guich, S. and Walsh, R.N. (1985).
Modulation of red cell metabolism by states of decreased activation: comparison
between states. Physiology and Behavior, 35, 679-682.
Jevning, R. Wilson, A.F., Pirkle, H., O'Halloran, J.P. and Walsh, R.N.
(1983). Metabolic control in a state of decreased activation: modulation
of red cell metabolism. American Journal of Physiology, 245, (Cell Physiol.
14), C457-C461.
Jevning, R., Wilson, A.F. and Smith, W.R. (1978). The Transcendental
Meditation technique, adrenocortical activity, and implications for stress.
Experientia, 34, 618-619.
Jevning, R., Wilson, A.F., Smith, W.R. and Morton, M.E. (1978). Redistribution
of blood flow in acute hypometabolic behavior. American Journal of Physiology,
235, (1), R89-R92.
Jevning, R, Wilson, A.F. (1978b) Behavioural increases in cerebral blood
flow. The Physiologist 21 (4): 60. (abstract)
Jevning, R., Wilson, A.F. and VanderLaan, E.F. (1978). Plasma prolactin
and growth hormone during meditation. Psychosomatic Medicine, 40, (4),
329-333.
Kazanchian, A., Sarnvelian, V., Zakharian, R. and Davis, L. (1991).
Inotropic effects of Maharishi Amrit Kalash. Study presented at the Eighth
Congress of the European Society of Cardiology. August 18-22, Amsterdam,
The Netherlands.
Kegel, H., (1993): Das Kostensparkonzept einer Hollandischen Krankenversicherung.
Vortrag auf dem 1. Symposium "Kostendampfung im Gesundheits-wesen durch
das vorbeugeorientierte Gesundheitssystem des Maharishi Ayur-Veda", Bad
Ems, BRD, november 1993
Lee, J. Y., Biochemical Changes induced by Maharishi Amrit Kalash (MAK-4)
and MA-208 in diet-induced hypercholesterolemic rabbits,; Presented at
the International Symposium on Free Radicals in Diagnostic Medicine, Buffalo,
NY, October 7-9, 1993
Levander, V.L., Benson, H., Wheeler, R.C., Wallace, R.K., (1972) Increased
forearm blood flow during a wakeful hypometabolic state. Federation Proceedings
31: 405. (Abstract)
Levine, P.H., The coherence spectral array (COSPAR) and its application
to the study of spatial ordering in the EEG. Proc. San Diego Biomed Symp
15:237-247, 1976
Maharishi Mahesh Yogi. (1963) The Science of Being and the Art of Living.
New York: New American Library.
Menges, Louwrens, "Ketters in de geneeskunde" in Care 28, februari 1995
pp. 42-43.
Nidich, S.I., Ryncarz, R.A., Abrams, A.l., Orme-Johnson, D.W. and Wallace,
R.K. (1983). Kohlbergian moral perspective responses, EEG coherence, and
the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program. Joumal of Moral Education,
12, (3), 166-173.
Morgan, R.F. en Stevens, S.K. (1972), Reliability of the adult growth
examination: A standardized test of individual aging. Perceptual and Motor
Skills 34, 415.
Niwa, Dr. Y. en M. Hanssen, Protection for life, Thorsons Publishers
Ltd, Wellingborough (1989a), Northamptonshire NN8 2 RQ, England, ISBN 0-7225-2197-9.
Niwa, Y. (1989b). Prevention of ageing: The importance of super oxide
dismutase functioning and marked antioxidant activity demonstrated in Maharishi
Amrit Kalash. Study presented at the International Symposium on Reversing
The Ageing Process: Neuroimmunological and neurobiological mechanisms September
9, Utrecht, The Netherlands.
Niwa, Y, MD, (1989c) Variety of oxydative disorders induced by oxygen
radicals in modern polluted environments and marked anti-oxidant activity
demonstrated in Maharishi Amrit Kalash, Paper presented at the Soviet Academy
of Science, Moscow, sept. 11, 1989 and the National Institute of Health,
Bethesda, MD, sept. 18, 1989.
Niwa, Y. (1991). Effect of Maharishi-4 and Maharishi-5 on inflammatory
mediators with special reference to their free radical scavenging effect.
Indian Journal of Clinical Practice, 1, (8), 23-27.
Orme-Johnson, D.W., Farrow, J.T., (editors) Scientific research on the
Transcendental Meditation Program, collected papers, Vol. 1, MERU-press,
1977.
Orme-Johnson D.W. (1987). Medical care utilization and the Transcendental
Meditation program. Psychosomatic Medicine, 49, 493-507.
Orme-Johnson D.W. and Dillbeck, M., (1987b) Maharishi's Program to Create
World Peace: Theory and Research. in "Modern Science and Vedic Science"
Vol.1. No.2 pp.207-259.
Orme-Johnson, D.W., Vegors, S.,1988: Medical care utilization at Maharishi
International University. Abstract insert in Journal of the Iowa Academy
of Science 95(1):A56
Orme-Johnson, D.W., Alexander, C.N. and Davies, J.L. (1990). The effects
of the Maharishi Technology of the Unified Field -reply to a methodological
critique. Journal of Conflict Resolution, 34, (4), 756-868.
Orme-Johnson, D.W., Alexander, C.N., Davies, J.L., Chandler, H.M. and
Larimore, W.E. (1988). International peace project in the Middle East:
the effects of the Maharishi Technology of the Unified Field. Journal of
Conflict Resolution, 32, (4), 776-812.
Orme-Johnson, D.W., Dillbeck, M.C., Wallace, R.K. and Landrith, G.S.
(1982). Intersubject EEG coherence. Is consciousness a field? International
Journal of Neuroscience, 16, 203-209.
Orme-Johnson, D.W. and Haynes, C.T. (1981). EEG phase coherence, pure
consciousness, creativity, and TM-Sidhi experiences. International Journal
of Neuroscience, 13, 211-217.
Orme-Johnson, D.W., (1993) presented at the Annual Conference of the
American Journal of Health Promotion, Atlanta, february 22-26.
Ornish, D., et. al. Can lifestyle changes reverse coronary heart disease?
Lancet, 1990,; 336: 129-33.
Pagano R.R., et. al. Sleep During Transcendental Meditation, Science,
Vol. 191, (1976) pp.308-309
Panganamala, R.V. and Sharma, H.M. (1991). Anti-oxidant and antiplatelet
properties of Maharishi Amrit Kalash (M-4) in hypercholesterolemic rabbits.
Ninth International Symposium on Atherosclerosis of the International Atherosclerosis
Society. October 6-11, Rosemont, Illinois, U. S. A. Abstracts 110-111.
Patel, V., Dileepan, K.N., Stechschulte, D.J. and Sharma, H. (1988).
Enhancement of Iymphoproliferative responses by Maharishi Amrit Kalash (MAK)
in rats. Federation of American Societies of Experimental Biology. Abstracts
2, (5), 4740.
Patel, V. K., Wang, J., Shen, R.N., Sharma, H.M., Brahmi, Z., reduction
of metastasis of Lewis lung carcinoma by an Ayurvedic food supplement in
mice. Nutrition Research, Vol. 12, pp. 51-61, 1992
Prasad, K.N., Edwards-Prasad, J., Kentroti, S., Brodie, C., Vernadakis,
A., Ayurvedic (Science of Life) agents induce differentiation in murine
neuroblastoma cells in culture. Neuropharmacology, Vol. 31 pp. 599-607,
1992
Ransijn, P. en Schulte, N., (1982)Bewustzijn als Bewapening- Vrede en
ontwapening door groei van collectief bewustzijn. MIU-Nederland pers. Laag
Soeren. ISBN 90 6269 026 2
Rasmussen, S., (1990) "The effect of Maharishi Gandharva Ved on the
Brain Physiology" in press, geciteerd in Hartmann, G. "Maharishi Gandharva-Ved
Die klassische Musik der Vedischen Hochkultur: Eine Einfuerung in die Musiktheoretischen
Grundlagen"; mit einem Geleitwort von professor Debu Chauduri.
Salerno, J.W. and Edwards Smith, D. (1989). The use of sesame oil and
other vegetable oils in the inhibition of human colon cancer growth in
vitro. Study presented in part at the lowa Academy of Science Annual Meeting.
April 22, Storm Lake, Iowa, U.S.A.
Salerno, J.W. and Smith, D.E., The Use of Sesame Oil and Other Vegetable
Oils in the Inhibition of Human Colon Cancer Growth in vitro. Anticancer
Research 11: 209-216 (1991)
Schneider, R.H., Kasture, H.S., Averbach, R., Rothenberg, S.,& Robinson,
D.K., (1985, sept.) Physiological and psychological correlates of Maharishi
Ayurveda psychosomatic types., Paper presented at the eight World Congress
of the International College of Psychosomatic Medicine, Chicago, IL Geciteerd
in Glaser (1988).
Schneider, R.H., Alexander, C.N. and Wallace, R.K. (1992). In search
of an optimal behavioral treatment for hypertension: A review and focus on
Transcendental Meditation. Personality, Elevated Blood Pressure, and Essential
Hypertension, in press.
Schneider, R.H., Cavanaugh, K.L., Kasture, H.S., Rothenberg, S., Averbach,
R., Robinson, D. and Wallace, R.K. (1990). Health promotion with a traditional
system of natural health care: Maharishi Ayur-Veda. Journal of Social Behavior
and Personality, 5, (3), 1-27.
Segaar, J.E.H., Relaties tussen Ayurveda en westerse geneeskunde. Lezing
gehouden voor het internationaal symposium "Omkering van het verouderingsproces",
neuroimmunologische en neurobiologische mechanismen, nieuwe research naar
en klinische ervaring met Maharishi Ayurveda, Utrecht, 9 september 1989.
Segaar, J.E.H. en Gerritsma, G.J.C., Maharishi Ayurveda en veroudering,
een overzicht van onderzoek. Nederlands Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde
7 (1991) no.6
Sharma, H.M., Stephens, R. (1986), The effect of Transcendental Meditation
and the TM-Sidhiprogram on DNA repair, presented in part at the Annual
Meeting of the Federation of American Societies of Experimental Biology
(Abstract).
Sharma, H.M., Dwivedi, C. Satter, B.C. Gudehithlu, H.A., Malarkey, W.
and Tejwani, G.A. (1990a). Antineoplastic properties of Maharishi-4 against
DMBA-induced mammary tumors in rats. Pharmacology, Biochemistry and Behavior,
35, 767-773.
Sharma, HM, et al,(1990d) Effect of Maharishi Amrit Kalash (MAK) on
Depression and Substance P, presented at the Annual Meeting of American
Association of Ayurvedic Medicine, 1990.
Sharma, H.M., Triguna, B.D. and Chopra, D. (1991a). Maharishi Ayur-Veda:
modern insights into ancient medicine. Journal of the American Medical
Assocition, 265, (20), 263 3 -263 7.
Sharma, H.M., Engineer, F.N. and Dwivedi, C. (1992). Effects of M-4
and M-5 on adriamycin-induced lipid peroxidation in vitro. Federation of
American Societies of Experimental Biology. Abstracts 6, (4), nr. 2354.
Sharma, H.M., Hanna, A.N., Kauffman, E.M. and Newman, H.A.I.
Inhibition of Human Low-Density Lipoprotein Oxidation In Vitro by Maharishi
Ayurveda Herbal Mixtures. Pharmacology, Biochemistry and Behaviour, Vol.
43, pp. 1175-1182, 1992
Sharma, H. M., Nidich, S. I., Sands, D., and Smith, D.E.; Improvement
in Cardiovascular Risk Factors through Panchakarma Purification Procedures.
The Journal of Research and Education in Indian Medicine, Vol. XII, Oct.-
Dec. 1993b ISSN 0970-7700
Sharma, H.M., (1993c), Freedom from Disease, Veda Publishing, Toronto,
ISBN 1-895958-00-8
Sharma, R.K., (1976) Caraka Samhita , vertaling: Sharma, RK en Bhagwan
Dash, Chowkhamba Sanskrit Series Office, Varanasi -221001, India, 1976
Sharma, P.V., (1981) Samhita, deel1, vertaling Sharma, P.V. Chauwkhamba
Orientalia Varanasi India.
Sharma, P.V., (1983) Characa Samhita, deel2, vertaling Sharma, P.V.
Chauwkhamba Orientalia Varanasi India.
Sircar A.R., Ahuja R.C., Natu S.M., Roy B., Sharma H.M.,(1992) Antidiabetic
and general effects of Herbal Drug Glucomap (MA-471) Medical College of
Lucknow, India (unpublished)
Smith, D.E. and Salerno, J.W., Selective Growth Inhibition of a Human
Malignant Melanoma Cell Line by Sesame Oil in Vitro. Prostaglandins Leukotrienes
and Essential Fatty Acids (1992) 46, 145-150
Stephens R.E., Sharma H.M., Kauffman E.M. and Dudek A. (1992). Effect
of different sounds on growth of human cancer cell lines in vitro. Federation
of American Societies of Experimental Biology 6, (5): A1934 (abstract)
Stryker,T.MD, Wallace K. PhD, Reduction in biological age through an
Ayurvedic treatment program, Presented to the International Congress of Psychosomatic
Medicine, Chicago, Illinois, USA, 5 september 1985.
Taub, E. (1991). Comprehensive progress report from the Rehabilitation
Center for Alcoholics, Occoquan, Virginia. Reported in P. Gelderloos, K.G.
Walton D.W. Orrne-Johnson and C.N. Alexander. Effectiveness of the Transcendental
Meditation program in preventing and treating substance misuse: A review.
International Journal of the Addictions, 26, (3), 293-325.
Thyagarajan S.P. Subramanian S. Thirunalasundari T., Venkateswaran P.S.
Blumberg B.S. Effect of Phyllantus Amarus on Chronic Carriers of Hepatitis
B Virus The Lancet, october 1, 1988
Tomlinson, P.F. and Wallace, R.K. (1991). Superoxide scavenging of two
natural products: Maharishi-4 (M4) and Maharishi 5 (M-S). Federation of American
Societies of Experimental Biology: 75th Annual Meeting, April 21-25, Antlanta,
Georgia, U.S.A. Abstracts, part II, nr. 5301.
Vats, S. R. et. al., (1993) a clinical study of tab. asthomap in tamak-svas
(bronchial asthma) department of Kaya Chikitsa, S.K. Govt. Ayurvedic College
Kurukshetra, India (unpublished)
Waldschutz, R. (1988). Veranderungen physiologischer und psychischer
Parameter durch eine ayurvedische Reinigungskur. Erfahrungsheilkunde - Acta
Medica Empirica - Zeitschrift fur die arztliche Praxis 2, 720-729
Wallace, R.K., Benson, H. and Wilson, A.F. (1971). A wakeful hypometabolic
physiologic state. American Journal of Physiology, 221, 795-799.
Wallace, R.K., Dillbeck, M.C., Jacobe, E. and Harrington, B. (1982).
The effects of the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program on the
aging process. International Journal of Neuroscience, 16, 53-58.
Wallace, R.K., Mills, P.J., Orme-Johnson, D.W., Dillbeck, M.C. and Jacobe,
E. (1983). Modification of the paired H-reflex through the Transcendental
Meditation and TM-Sidhi program. Experimental Neurology, 79, 77-86.
Wallace, R.K., The Physiology of Conciousness, MIU-press Fairfield IA,
USA, 1993, ISBN 0-923569-02-2.
Wilson, A.F., Jevning, R. and Guich, S. (1987). Marked reduction of
forearm carbon dioxide production during states of decreased metabolism.
Physiology and Behavior, 41, 347-352.
Wolkove, N., Kreisman, H., Darragh, D., Cohen, C. and Frank, H. (1984).
Effect of Transcendental Meditation on breathing and respiratory control.
Journal of Applied Physiology: Respiratory, Environmental and Exercise
Physiology, 56, (3), 607-612.
|
|